Gelijkhoekige parallellogrammen ( en )
verhouden zich tot elkaar in een verhouding samengesteld uit
de verhoudingen tussen hun zijden.
Laat twee van de zijden en om de gelijke hoeken
zo geplaatst zijn dat ze in elkaars verlengde liggen.
Daar + = en = (hyp),
moet + = .
Dus en liggen in elkaars verlengde (prop 14 uit Boek I).
Maak af.
Daar : :: : (prop 1 uit Boek VI)
en : :: : (prop 1 uit Boek VI),
moet tot een verhouding hebben samengesteld uit
de verhoudingen van tot en van tot .
QED
vorige / volgende
|